wiezen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of wiezen

The word "wiezen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: wiezen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: wiezend
Past participle - Verleden deelwoord: gewiesd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwies
jijwiest
hijwiest
wijwiezen
julliewiezen
zijwiezen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gewiesd
jijhebt gewiesd
hijheeft gewiesd
wijhebben gewiesd
julliehebben gewiesd
zijhebben gewiesd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwiesde
jijwiesde
hijwiesde
wijwiesden
julliewiesden
zijwiesden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gewiesd
jijhad gewiesd
hijhad gewiesd
wijhadden gewiesd
julliehadden gewiesd
zijhadden gewiesd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal wiezen
jijzult wiezen
hijzal wiezen
wijzullen wiezen
julliezullen wiezen
zijzullen wiezen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gewiesd hebben
jijzult gewiesd hebben
hijzal gewiesd hebben
wijzullen gewiesd hebben
julliezullen gewiesd hebben
zijzullen gewiesd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou wiezen
jijzou wiezen
hijzou wiezen
wijzouden wiezen
julliezouden wiezen
zijzouden wiezen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gewiesd hebben
jijzou gewiesd hebben
hijzou gewiesd hebben
wijzouden gewiesd hebben
julliezouden gewiesd hebben
zijzouden gewiesd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwies

Verbs conjugated like 'wiezen'

glanzen, grenzen, niezen, omhelzen, reizen, veinzen, verhuizen,

Verbs similar to 'wiezen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From wies (“whist”) + -en or a variant of Dutch whisten, both derived from English whist. See: English 'whist'.

Additional Information