Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: waarschuwen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: waarschuwend
Past participle - Verleden deelwoord: waarschuwd
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | waarschuw |
| jij | waarschuwt |
| hij | waarschuwt |
| wij | waarschuwen |
| jullie | waarschuwen |
| zij | waarschuwen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb waarschuwd |
| jij | hebt waarschuwd |
| hij | heeft waarschuwd |
| wij | hebben waarschuwd |
| jullie | hebben waarschuwd |
| zij | hebben waarschuwd |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | waarschuwde |
| jij | waarschuwde |
| hij | waarschuwde |
| wij | waarschuwden |
| jullie | waarschuwden |
| zij | waarschuwden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had waarschuwd |
| jij | had waarschuwd |
| hij | had waarschuwd |
| wij | hadden waarschuwd |
| jullie | hadden waarschuwd |
| zij | hadden waarschuwd |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal waarschuwen |
| jij | zult waarschuwen |
| hij | zal waarschuwen |
| wij | zullen waarschuwen |
| jullie | zullen waarschuwen |
| zij | zullen waarschuwen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal waarschuwd hebben |
| jij | zult waarschuwd hebben |
| hij | zal waarschuwd hebben |
| wij | zullen waarschuwd hebben |
| jullie | zullen waarschuwd hebben |
| zij | zullen waarschuwd hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou waarschuwen |
| jij | zou waarschuwen |
| hij | zou waarschuwen |
| wij | zouden waarschuwen |
| jullie | zouden waarschuwen |
| zij | zouden waarschuwen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou waarschuwd hebben |
| jij | zou waarschuwd hebben |
| hij | zou waarschuwd hebben |
| wij | zouden waarschuwd hebben |
| jullie | zouden waarschuwd hebben |
| zij | zouden waarschuwd hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'waarschuwen'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'waarschuwen'
aanschaven,
aanschuiven,
verafschuwen,
aanschaffen,
aanschellen,
aanschreien,
aansmeulen,
aanspugen,
afschaven,
afscheren,
Translations
caution, to warn
notify, (transitive) to give (someone) notice of (something)
warn, to make someone aware of impending danger
forewarn, to warn in advance
Synonyms & Antonyms
Sample Sentences
-
[...] had, te stellen. " Zoo gij niet in een onbezorgden toestand geraakt, " zeide hij, " zal het alleen uw eigen schuld en ik er niet verantwoordelijk voor zijn. Ik heb mijn pligt gedaan door u te waarschuwen tegen stappen, die ik weet dat tot uw ongeluk leiden. In een woord, ik wil veel voor u doen, als gij u hier naar mijn wensen wilt nederzetten; maar ik wil niets tot uw ongeluk bijdragen, door u de [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] waarnaar ik haakte, waarvoor ik mijn vaders huis verlaten, en al zijn goeden raad in den wind had geslagen. Ja, ik was thans inderdaad in dien levenstoestand geraakt, waarvoor mijn vader mij gewaarschuwd had, en welken ik even goed had kunnen bereiken als ik te huis was gebleven, zonder mij ooit zoo in de wereld af te slooven, als ik gedaan had. Dikwijls zeide ik tot mijzelven: " Zoo had ik even [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] dien weg heen een togtje doen, en ik geloof waarlijk, dat zoo ik de boot had bezeten, waarmede ik te Salé in zee stak, ik op goed geluk in zee zou gegaan zijn. In alle mijne lotgevallen was ik een waarschuwend voorbeeld voor hen, die met de gewone kwaal behebt zijn, waaruit ik geloof, dat de helft der menschelijke ellenden voortvloeijen, namelijk dat men niet tevreden is met den staat, waarin God en de [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch waerschuwen, waerschouwen, waerscuwen, waerscouwen, equivalent to (ge)waar + schuwen. Cognate with nautical German wahrschauen. See: German, old spelling '
wahrschauen'.
Verbs referencing "waarschuwen"
German, old spelling
wahrschauen.
Additional Information