vervaren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of vervaren

The word "vervaren" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: vervaren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vervarend
Past participle - Verleden deelwoord: vervaard

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvervaar
jijvervaart
hijvervaart
wijvervaren
jullievervaren
zijvervaren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb vervaard
jijhebt vervaard
hijheeft vervaard
wijhebben vervaard
julliehebben vervaard
zijhebben vervaard

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvervaarde
jijvervaarde
hijvervaarde
wijvervaarden
jullievervaarden
zijvervaarden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad vervaard
jijhad vervaard
hijhad vervaard
wijhadden vervaard
julliehadden vervaard
zijhadden vervaard

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal vervaren
jijzult vervaren
hijzal vervaren
wijzullen vervaren
julliezullen vervaren
zijzullen vervaren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal vervaard hebben
jijzult vervaard hebben
hijzal vervaard hebben
wijzullen vervaard hebben
julliezullen vervaard hebben
zijzullen vervaard hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou vervaren
jijzou vervaren
hijzou vervaren
wijzouden vervaren
julliezouden vervaren
zijzouden vervaren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou vervaard hebben
jijzou vervaard hebben
hijzou vervaard hebben
wijzouden vervaard hebben
julliezouden vervaard hebben
zijzouden vervaard hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvervaar

Verbs similar to 'vervaren'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch vervāren, from Old Dutch farfaran, from Proto-Germanic *frafaraną. Equivalent to ver- + varen. See: Proto-Germanic '*frafaraną'.

Additional Information