verifiëren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verifiëren

The word "verifiëren" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verifiëren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verifiërend
Past participle - Verleden deelwoord: verifiërd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverifiër
jijverifiërt
hijverifiërt
wijverifiëren
jullieverifiëren
zijverifiëren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verifiërd
jijhebt verifiërd
hijheeft verifiërd
wijhebben verifiërd
julliehebben verifiërd
zijhebben verifiërd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverifiërde
jijverifiërde
hijverifiërde
wijverifiërden
jullieverifiërden
zijverifiërden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verifiërd
jijhad verifiërd
hijhad verifiërd
wijhadden verifiërd
julliehadden verifiërd
zijhadden verifiërd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verifiëren
jijzult verifiëren
hijzal verifiëren
wijzullen verifiëren
julliezullen verifiëren
zijzullen verifiëren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verifiërd hebben
jijzult verifiërd hebben
hijzal verifiërd hebben
wijzullen verifiërd hebben
julliezullen verifiërd hebben
zijzullen verifiërd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verifiëren
jijzou verifiëren
hijzou verifiëren
wijzouden verifiëren
julliezouden verifiëren
zijzouden verifiëren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verifiërd hebben
jijzou verifiërd hebben
hijzou verifiërd hebben
wijzouden verifiërd hebben
julliezouden verifiërd hebben
zijzouden verifiërd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverifiër

Translations

  • check, to verify or compare with a source of information
  • audit, to examine and adjust
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From French vérifier, borrowed from Medieval Latin vērificāre, from Latin vērus (“true”) + facere (“to do, to make”). See: French 'vérifier'.

    Additional Information