valuteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of valuteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: valuteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: valuterend
Past participle - Verleden deelwoord: gevaluteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvaluteer
jijvaluteert
hijvaluteert
wijvaluteren
jullievaluteren
zijvaluteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gevaluteerd
jijhebt gevaluteerd
hijheeft gevaluteerd
wijhebben gevaluteerd
julliehebben gevaluteerd
zijhebben gevaluteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvaluteerde
jijvaluteerde
hijvaluteerde
wijvaluteerden
jullievaluteerden
zijvaluteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gevaluteerd
jijhad gevaluteerd
hijhad gevaluteerd
wijhadden gevaluteerd
julliehadden gevaluteerd
zijhadden gevaluteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal valuteren
jijzult valuteren
hijzal valuteren
wijzullen valuteren
julliezullen valuteren
zijzullen valuteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gevaluteerd hebben
jijzult gevaluteerd hebben
hijzal gevaluteerd hebben
wijzullen gevaluteerd hebben
julliezullen gevaluteerd hebben
zijzullen gevaluteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou valuteren
jijzou valuteren
hijzou valuteren
wijzouden valuteren
julliezouden valuteren
zijzouden valuteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gevaluteerd hebben
jijzou gevaluteerd hebben
hijzou gevaluteerd hebben
wijzouden gevaluteerd hebben
julliezouden gevaluteerd hebben
zijzouden gevaluteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvaluteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information