uitsparen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of uitsparen

The word "uitsparen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: uitsparen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: uitsparend
Past participle - Verleden deelwoord: uitgespaard

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikspaar uit
jijspaart uit
hijspaart uit
wijsparen uit
julliesparen uit
zijsparen uit

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb uitgespaard
jijhebt uitgespaard
hijheeft uitgespaard
wijhebben uitgespaard
julliehebben uitgespaard
zijhebben uitgespaard

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikspaarde uit
jijspaarde uit
hijspaarde uit
wijspaarden uit
julliespaarden uit
zijspaarden uit

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad uitgespaard
jijhad uitgespaard
hijhad uitgespaard
wijhadden uitgespaard
julliehadden uitgespaard
zijhadden uitgespaard

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal uitsparen
jijzult uitsparen
hijzal uitsparen
wijzullen uitsparen
julliezullen uitsparen
zijzullen uitsparen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal uitgespaard hebben
jijzult uitgespaard hebben
hijzal uitgespaard hebben
wijzullen uitgespaard hebben
julliezullen uitgespaard hebben
zijzullen uitgespaard hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou uitsparen
jijzou uitsparen
hijzou uitsparen
wijzouden uitsparen
julliezouden uitsparen
zijzouden uitsparen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou uitgespaard hebben
jijzou uitgespaard hebben
hijzou uitgespaard hebben
wijzouden uitgespaard hebben
julliezouden uitgespaard hebben
zijzouden uitgespaard hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijspaar uit

Verbs similar to 'uitsparen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From uit (“out”) + sparen (“to save, spare”).

Additional Information