uiteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of uiteren

The word "uiteren" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: uiteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: uiterend
Past participle - Verleden deelwoord: uiteerd

Cognates

See the 4 cognates of uiteren

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikeer uit
jijeert uit
hijeert uit
wijeren uit
jullieeren uit
zijeren uit

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb uiteerd
jijhebt uiteerd
hijheeft uiteerd
wijhebben uiteerd
julliehebben uiteerd
zijhebben uiteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikeerde uit
jijeerde uit
hijeerde uit
wijeerden uit
jullieeerden uit
zijeerden uit

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad uiteerd
jijhad uiteerd
hijhad uiteerd
wijhadden uiteerd
julliehadden uiteerd
zijhadden uiteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal uiteren
jijzult uiteren
hijzal uiteren
wijzullen uiteren
julliezullen uiteren
zijzullen uiteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal uiteerd hebben
jijzult uiteerd hebben
hijzal uiteerd hebben
wijzullen uiteerd hebben
julliezullen uiteerd hebben
zijzullen uiteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou uiteren
jijzou uiteren
hijzou uiteren
wijzouden uiteren
julliezouden uiteren
zijzouden uiteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou uiteerd hebben
jijzou uiteerd hebben
hijzou uiteerd hebben
wijzouden uiteerd hebben
julliezouden uiteerd hebben
zijzouden uiteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijeer uit

Verbs similar to 'uiteren'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "uiteren"

English utter.

Additional Information