twijnen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of twijnen

The word "twijnen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: twijnen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: twijnend
Past participle - Verleden deelwoord: getwijnd

Cognates

See the 5 cognates of twijnen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktwijn
jijtwijnt
hijtwijnt
wijtwijnen
jullietwijnen
zijtwijnen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getwijnd
jijhebt getwijnd
hijheeft getwijnd
wijhebben getwijnd
julliehebben getwijnd
zijhebben getwijnd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktwijnde
jijtwijnde
hijtwijnde
wijtwijnden
jullietwijnden
zijtwijnden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getwijnd
jijhad getwijnd
hijhad getwijnd
wijhadden getwijnd
julliehadden getwijnd
zijhadden getwijnd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal twijnen
jijzult twijnen
hijzal twijnen
wijzullen twijnen
julliezullen twijnen
zijzullen twijnen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getwijnd hebben
jijzult getwijnd hebben
hijzal getwijnd hebben
wijzullen getwijnd hebben
julliezullen getwijnd hebben
zijzullen getwijnd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou twijnen
jijzou twijnen
hijzou twijnen
wijzouden twijnen
julliezouden twijnen
zijzouden twijnen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getwijnd hebben
jijzou getwijnd hebben
hijzou getwijnd hebben
wijzouden getwijnd hebben
julliezouden getwijnd hebben
zijzouden getwijnd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtwijn

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "twijnen"

English twine.

Additional Information