trijsen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of trijsen

The word "trijsen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: trijsen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: trijsend
Past participle - Verleden deelwoord: getrijst

Cognates

See the 4 cognates of trijsen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktrijs
jijtrijst
hijtrijst
wijtrijsen
jullietrijsen
zijtrijsen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getrijst
jijhebt getrijst
hijheeft getrijst
wijhebben getrijst
julliehebben getrijst
zijhebben getrijst

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktrijste
jijtrijste
hijtrijste
wijtrijsten
jullietrijsten
zijtrijsten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getrijst
jijhad getrijst
hijhad getrijst
wijhadden getrijst
julliehadden getrijst
zijhadden getrijst

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal trijsen
jijzult trijsen
hijzal trijsen
wijzullen trijsen
julliezullen trijsen
zijzullen trijsen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getrijst hebben
jijzult getrijst hebben
hijzal getrijst hebben
wijzullen getrijst hebben
julliezullen getrijst hebben
zijzullen getrijst hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou trijsen
jijzou trijsen
hijzou trijsen
wijzouden trijsen
julliezouden trijsen
zijzouden trijsen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getrijst hebben
jijzou getrijst hebben
hijzou getrijst hebben
wijzouden getrijst hebben
julliezouden getrijst hebben
zijzouden getrijst hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtrijs

Verbs similar to 'trijsen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "trijsen"

English trice.

Additional Information