trampen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of trampen

The word "trampen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: trampen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: trampend
Past participle - Verleden deelwoord: getrampt

Cognates

See the 2 cognates of trampen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktramp
jijtrampt
hijtrampt
wijtrampen
jullietrampen
zijtrampen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getrampt
jijhebt getrampt
hijheeft getrampt
wijhebben getrampt
julliehebben getrampt
zijhebben getrampt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktrampte
jijtrampte
hijtrampte
wijtrampten
jullietrampten
zijtrampten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getrampt
jijhad getrampt
hijhad getrampt
wijhadden getrampt
julliehadden getrampt
zijhadden getrampt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal trampen
jijzult trampen
hijzal trampen
wijzullen trampen
julliezullen trampen
zijzullen trampen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getrampt hebben
jijzult getrampt hebben
hijzal getrampt hebben
wijzullen getrampt hebben
julliezullen getrampt hebben
zijzullen getrampt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou trampen
jijzou trampen
hijzou trampen
wijzouden trampen
julliezouden trampen
zijzouden trampen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getrampt hebben
jijzou getrampt hebben
hijzou getrampt hebben
wijzouden getrampt hebben
julliezouden getrampt hebben
zijzouden getrampt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtramp

Verbs similar to 'trampen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "trampen"

English tramp.

Additional Information