timmeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of timmeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: timmeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: timmerend
Past participle - Verleden deelwoord: getimmerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktimmer
jijtimmert
hijtimmert
wijtimmeren
jullietimmeren
zijtimmeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getimmerd
jijhebt getimmerd
hijheeft getimmerd
wijhebben getimmerd
julliehebben getimmerd
zijhebben getimmerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktimmerde
jijtimmerde
hijtimmerde
wijtimmerden
jullietimmerden
zijtimmerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getimmerd
jijhad getimmerd
hijhad getimmerd
wijhadden getimmerd
julliehadden getimmerd
zijhadden getimmerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal timmeren
jijzult timmeren
hijzal timmeren
wijzullen timmeren
julliezullen timmeren
zijzullen timmeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getimmerd hebben
jijzult getimmerd hebben
hijzal getimmerd hebben
wijzullen getimmerd hebben
julliezullen getimmerd hebben
zijzullen getimmerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou timmeren
jijzou timmeren
hijzou timmeren
wijzouden timmeren
julliezouden timmeren
zijzouden timmeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getimmerd hebben
jijzou getimmerd hebben
hijzou getimmerd hebben
wijzouden getimmerd hebben
julliezouden getimmerd hebben
zijzouden getimmerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtimmer

Translations

  • hammer, to strike repeatedly
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch timmeren, from Old Dutch timbren, from Proto-West Germanic *timrijan, from Proto-Germanic *timrijaną. See: Proto-Germanic '*timrijaną'.

    Verbs referencing "timmeren"

    Sranan temre, German, old spelling zimmern.

    Additional Information