timen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of timen

The word "timen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: timen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: timend
Past participle - Verleden deelwoord: getiimd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktiim
jijtiimt
hijtiimt
wijtimen
jullietimen
zijtimen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getiimd
jijhebt getiimd
hijheeft getiimd
wijhebben getiimd
julliehebben getiimd
zijhebben getiimd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktiimde
jijtiimde
hijtiimde
wijtiimden
jullietiimden
zijtiimden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getiimd
jijhad getiimd
hijhad getiimd
wijhadden getiimd
julliehadden getiimd
zijhadden getiimd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal timen
jijzult timen
hijzal timen
wijzullen timen
julliezullen timen
zijzullen timen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getiimd hebben
jijzult getiimd hebben
hijzal getiimd hebben
wijzullen getiimd hebben
julliezullen getiimd hebben
zijzullen getiimd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou timen
jijzou timen
hijzou timen
wijzouden timen
julliezouden timen
zijzouden timen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getiimd hebben
jijzou getiimd hebben
hijzou getiimd hebben
wijzouden getiimd hebben
julliezouden getiimd hebben
zijzouden getiimd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtiim

Verbs similar to 'timen'

Translations

  • time, to measure time
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from English time. See: English 'time'.

    Additional Information