stalken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of stalken

The word "stalken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: stalken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: stalkend
Past participle - Verleden deelwoord: gestalkt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstalk
jijstalkt
hijstalkt
wijstalken
julliestalken
zijstalken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gestalkt
jijhebt gestalkt
hijheeft gestalkt
wijhebben gestalkt
julliehebben gestalkt
zijhebben gestalkt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstalkte
jijstalkte
hijstalkte
wijstalkten
julliestalkten
zijstalkten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gestalkt
jijhad gestalkt
hijhad gestalkt
wijhadden gestalkt
julliehadden gestalkt
zijhadden gestalkt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal stalken
jijzult stalken
hijzal stalken
wijzullen stalken
julliezullen stalken
zijzullen stalken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestalkt hebben
jijzult gestalkt hebben
hijzal gestalkt hebben
wijzullen gestalkt hebben
julliezullen gestalkt hebben
zijzullen gestalkt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou stalken
jijzou stalken
hijzou stalken
wijzouden stalken
julliezouden stalken
zijzouden stalken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestalkt hebben
jijzou gestalkt hebben
hijzou gestalkt hebben
wijzouden gestalkt hebben
julliezouden gestalkt hebben
zijzouden gestalkt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstalk

Verbs similar to 'stalken'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from English stalk. Related to obsolete Dutch stolken, from Middle Dutch stolken (“to walk, slosh, sneak”). See: English 'stalk', Dutch 'stolken'.

Additional Information