sprinten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of sprinten

The word "sprinten" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: sprinten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: sprintend
Past participle - Verleden deelwoord: gesprint

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksprint
jijsprint
hijsprint
wijsprinten
julliesprinten
zijsprinten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesprint
jijhebt gesprint
hijheeft gesprint
wijhebben gesprint
julliehebben gesprint
zijhebben gesprint

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksprintte
jijsprintte
hijsprintte
wijsprintten
julliesprintten
zijsprintten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesprint
jijhad gesprint
hijhad gesprint
wijhadden gesprint
julliehadden gesprint
zijhadden gesprint

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal sprinten
jijzult sprinten
hijzal sprinten
wijzullen sprinten
julliezullen sprinten
zijzullen sprinten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesprint hebben
jijzult gesprint hebben
hijzal gesprint hebben
wijzullen gesprint hebben
julliezullen gesprint hebben
zijzullen gesprint hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou sprinten
jijzou sprinten
hijzou sprinten
wijzouden sprinten
julliezouden sprinten
zijzouden sprinten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesprint hebben
jijzou gesprint hebben
hijzou gesprint hebben
wijzouden gesprint hebben
julliezouden gesprint hebben
zijzouden gesprint hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsprint

Verbs similar to 'sprinten'

Translations

  • dash, to run short distance
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from English sprint. Equivalent to sprint + -en. See: English 'sprint'.

    Additional Information