spitten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of spitten

The word "spitten" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: spitten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: spittend
Past participle - Verleden deelwoord: gespit

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikspit
jijspit
hijspit
wijspitten
julliespitten
zijspitten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gespit
jijhebt gespit
hijheeft gespit
wijhebben gespit
julliehebben gespit
zijhebben gespit

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikspitte
jijspitte
hijspitte
wijspitten
julliespitten
zijspitten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gespit
jijhad gespit
hijhad gespit
wijhadden gespit
julliehadden gespit
zijhadden gespit

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal spitten
jijzult spitten
hijzal spitten
wijzullen spitten
julliezullen spitten
zijzullen spitten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gespit hebben
jijzult gespit hebben
hijzal gespit hebben
wijzullen gespit hebben
julliezullen gespit hebben
zijzullen gespit hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou spitten
jijzou spitten
hijzou spitten
wijzouden spitten
julliezouden spitten
zijzouden spitten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gespit hebben
jijzou gespit hebben
hijzou gespit hebben
wijzouden gespit hebben
julliezouden gespit hebben
zijzouden gespit hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijspit

Verbs similar to 'spitten'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information