snuwen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of snuwen

The word "snuwen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: snuwen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: snuwend
Past participle - Verleden deelwoord: gesnuuwd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksnuuw
jijsnuuwt
hijsnuuwt
wijsnuwen
julliesnuwen
zijsnuwen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesnuuwd
jijhebt gesnuuwd
hijheeft gesnuuwd
wijhebben gesnuuwd
julliehebben gesnuuwd
zijhebben gesnuuwd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksnuuwde
jijsnuuwde
hijsnuuwde
wijsnuuwden
julliesnuuwden
zijsnuuwden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesnuuwd
jijhad gesnuuwd
hijhad gesnuuwd
wijhadden gesnuuwd
julliehadden gesnuuwd
zijhadden gesnuuwd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal snuwen
jijzult snuwen
hijzal snuwen
wijzullen snuwen
julliezullen snuwen
zijzullen snuwen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesnuuwd hebben
jijzult gesnuuwd hebben
hijzal gesnuuwd hebben
wijzullen gesnuuwd hebben
julliezullen gesnuuwd hebben
zijzullen gesnuuwd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou snuwen
jijzou snuwen
hijzou snuwen
wijzouden snuwen
julliezouden snuwen
zijzouden snuwen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesnuuwd hebben
jijzou gesnuuwd hebben
hijzou gesnuuwd hebben
wijzouden gesnuuwd hebben
julliezouden gesnuuwd hebben
zijzouden gesnuuwd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsnuuw

Verbs similar to 'snuwen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

1. Etymology tree
2. Proto-Indo-European *sneygʷʰ-
3. Proto-Indo-European *snéygʷʰeti
4. Proto-Germanic *snīwaną
5. Proto-West Germanic *snīwan
6. Old Dutch *snīwan
7. Middle Dutch snuwen
8. Dutch snuwen
9. From Middle Dutch snuwen, from Old Dutch *snīwan, from Proto-West Germanic *snīwan, from Proto-Germanic *snīwaną, from Proto-Indo-European *sneygʷʰ-. Related but etymologically different from sneeuwen (“to snow”). See: Middle Dutch 'snuwen', Proto-Germanic '*snīwaną'.

Additional Information