snorkelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of snorkelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: snorkelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: snorkelend
Past participle - Verleden deelwoord: gesnorkeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksnorkel
jijsnorkelt
hijsnorkelt
wijsnorkelen
julliesnorkelen
zijsnorkelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesnorkeld
jijhebt gesnorkeld
hijheeft gesnorkeld
wijhebben gesnorkeld
julliehebben gesnorkeld
zijhebben gesnorkeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksnorkelde
jijsnorkelde
hijsnorkelde
wijsnorkelden
julliesnorkelden
zijsnorkelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesnorkeld
jijhad gesnorkeld
hijhad gesnorkeld
wijhadden gesnorkeld
julliehadden gesnorkeld
zijhadden gesnorkeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal snorkelen
jijzult snorkelen
hijzal snorkelen
wijzullen snorkelen
julliezullen snorkelen
zijzullen snorkelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesnorkeld hebben
jijzult gesnorkeld hebben
hijzal gesnorkeld hebben
wijzullen gesnorkeld hebben
julliezullen gesnorkeld hebben
zijzullen gesnorkeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou snorkelen
jijzou snorkelen
hijzou snorkelen
wijzouden snorkelen
julliezouden snorkelen
zijzouden snorkelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesnorkeld hebben
jijzou gesnorkeld hebben
hijzou gesnorkeld hebben
wijzouden gesnorkeld hebben
julliezouden gesnorkeld hebben
zijzouden gesnorkeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsnorkel

Translations

  • snorkel, use a snorkel
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From snorkel + -en.

    Additional Information