segregeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of segregeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: segregeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: segregerend
Past participle - Verleden deelwoord: gesegregeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksegregeer
jijsegregeert
hijsegregeert
wijsegregeren
julliesegregeren
zijsegregeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesegregeerd
jijhebt gesegregeerd
hijheeft gesegregeerd
wijhebben gesegregeerd
julliehebben gesegregeerd
zijhebben gesegregeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksegregeerde
jijsegregeerde
hijsegregeerde
wijsegregeerden
julliesegregeerden
zijsegregeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesegregeerd
jijhad gesegregeerd
hijhad gesegregeerd
wijhadden gesegregeerd
julliehadden gesegregeerd
zijhadden gesegregeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal segregeren
jijzult segregeren
hijzal segregeren
wijzullen segregeren
julliezullen segregeren
zijzullen segregeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesegregeerd hebben
jijzult gesegregeerd hebben
hijzal gesegregeerd hebben
wijzullen gesegregeerd hebben
julliezullen gesegregeerd hebben
zijzullen gesegregeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou segregeren
jijzou segregeren
hijzou segregeren
wijzouden segregeren
julliezouden segregeren
zijzouden segregeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesegregeerd hebben
jijzou gesegregeerd hebben
hijzou gesegregeerd hebben
wijzouden gesegregeerd hebben
julliezouden gesegregeerd hebben
zijzouden gesegregeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsegregeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information