ritualiseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ritualiseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ritualiseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ritualiserend
Past participle - Verleden deelwoord: geritualiseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikritualiseer
jijritualiseert
hijritualiseert
wijritualiseren
jullieritualiseren
zijritualiseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geritualiseerd
jijhebt geritualiseerd
hijheeft geritualiseerd
wijhebben geritualiseerd
julliehebben geritualiseerd
zijhebben geritualiseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikritualiseerde
jijritualiseerde
hijritualiseerde
wijritualiseerden
jullieritualiseerden
zijritualiseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geritualiseerd
jijhad geritualiseerd
hijhad geritualiseerd
wijhadden geritualiseerd
julliehadden geritualiseerd
zijhadden geritualiseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ritualiseren
jijzult ritualiseren
hijzal ritualiseren
wijzullen ritualiseren
julliezullen ritualiseren
zijzullen ritualiseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geritualiseerd hebben
jijzult geritualiseerd hebben
hijzal geritualiseerd hebben
wijzullen geritualiseerd hebben
julliezullen geritualiseerd hebben
zijzullen geritualiseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ritualiseren
jijzou ritualiseren
hijzou ritualiseren
wijzouden ritualiseren
julliezouden ritualiseren
zijzouden ritualiseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geritualiseerd hebben
jijzou geritualiseerd hebben
hijzou geritualiseerd hebben
wijzouden geritualiseerd hebben
julliezouden geritualiseerd hebben
zijzouden geritualiseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijritualiseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information