rijmen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of rijmen

The word "rijmen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: rijmen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: rijmend
Past participle - Verleden deelwoord: gerijmd

Cognates

See the 6 cognates of rijmen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrijm
jijrijmt
hijrijmt
wijrijmen
jullierijmen
zijrijmen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gerijmd
jijhebt gerijmd
hijheeft gerijmd
wijhebben gerijmd
julliehebben gerijmd
zijhebben gerijmd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrijmde
jijrijmde
hijrijmde
wijrijmden
jullierijmden
zijrijmden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gerijmd
jijhad gerijmd
hijhad gerijmd
wijhadden gerijmd
julliehadden gerijmd
zijhadden gerijmd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal rijmen
jijzult rijmen
hijzal rijmen
wijzullen rijmen
julliezullen rijmen
zijzullen rijmen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gerijmd hebben
jijzult gerijmd hebben
hijzal gerijmd hebben
wijzullen gerijmd hebben
julliezullen gerijmd hebben
zijzullen gerijmd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou rijmen
jijzou rijmen
hijzou rijmen
wijzouden rijmen
julliezouden rijmen
zijzouden rijmen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gerijmd hebben
jijzou gerijmd hebben
hijzou gerijmd hebben
wijzouden gerijmd hebben
julliezouden gerijmd hebben
zijzouden gerijmd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrijm

Translations

  • agree, harmonize in opinion; be in unison or concord; be united; concur
  • rhyme, transitive, to rhyme with
  • rhyme, put words together
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • Nee, "yurt" rijmt niet op "yoghurt". (No, "yurt" does not rhyme with "yoghurt".)
    • De hulpsinterklaas rijmde erop los. (The stand-in Sinterklaas was rhyming full speed ahead.)
    • Ik kan dat niet rijmen met zijn anders zo vriendelijk gedrag. (I cannot reconcile that with his friendly behaviour in other contexts.)

    Etymology

    1. Inherited from Middle Dutch rīmen which is a merger of:
    2. * Old Dutch *rīman, from Proto-West Germanic *rīman, from Proto-Germanic *rīmaną (“to count”), a strong verb.
    3. * Old Dutch *rīmen, from Proto-West Germanic *rīmijan, a weak verb. Analysable as rijm + -en.
    4. In Middle Dutch the verb could still be declined as a strong verb. See: Proto-Germanic '*rīmaną'.

    Verbs referencing "rijmen"

    English rhyme.

    Additional Information