plisseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of plisseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: plisseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: plisserend
Past participle - Verleden deelwoord: geplisseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikplisseer
jijplisseert
hijplisseert
wijplisseren
jullieplisseren
zijplisseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geplisseerd
jijhebt geplisseerd
hijheeft geplisseerd
wijhebben geplisseerd
julliehebben geplisseerd
zijhebben geplisseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikplisseerde
jijplisseerde
hijplisseerde
wijplisseerden
jullieplisseerden
zijplisseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geplisseerd
jijhad geplisseerd
hijhad geplisseerd
wijhadden geplisseerd
julliehadden geplisseerd
zijhadden geplisseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal plisseren
jijzult plisseren
hijzal plisseren
wijzullen plisseren
julliezullen plisseren
zijzullen plisseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geplisseerd hebben
jijzult geplisseerd hebben
hijzal geplisseerd hebben
wijzullen geplisseerd hebben
julliezullen geplisseerd hebben
zijzullen geplisseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou plisseren
jijzou plisseren
hijzou plisseren
wijzouden plisseren
julliezouden plisseren
zijzouden plisseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geplisseerd hebben
jijzou geplisseerd hebben
hijzou geplisseerd hebben
wijzouden geplisseerd hebben
julliezouden geplisseerd hebben
zijzouden geplisseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijplisseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information