pinaren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of pinaren

The word "pinaren" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: pinaren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: pinarend
Past participle - Verleden deelwoord: gepinaard

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpinaar
jijpinaart
hijpinaart
wijpinaren
julliepinaren
zijpinaren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepinaard
jijhebt gepinaard
hijheeft gepinaard
wijhebben gepinaard
julliehebben gepinaard
zijhebben gepinaard

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpinaarde
jijpinaarde
hijpinaarde
wijpinaarden
julliepinaarden
zijpinaarden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepinaard
jijhad gepinaard
hijhad gepinaard
wijhadden gepinaard
julliehadden gepinaard
zijhadden gepinaard

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal pinaren
jijzult pinaren
hijzal pinaren
wijzullen pinaren
julliezullen pinaren
zijzullen pinaren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepinaard hebben
jijzult gepinaard hebben
hijzal gepinaard hebben
wijzullen gepinaard hebben
julliezullen gepinaard hebben
zijzullen gepinaard hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou pinaren
jijzou pinaren
hijzou pinaren
wijzouden pinaren
julliezouden pinaren
zijzouden pinaren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepinaard hebben
jijzou gepinaard hebben
hijzou gepinaard hebben
wijzouden gepinaard hebben
julliezouden gepinaard hebben
zijzouden gepinaard hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpinaar

Verbs similar to 'pinaren'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Portuguese penar (“to suffer, to torment”), cognate of Sranan Tongo pina. See: Portuguese 'penar', Sranan 'pina'.

Additional Information