piercen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of piercen

The word "piercen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: piercen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: piercend
Past participle - Verleden deelwoord: gepiercd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpierc
jijpierct
hijpierct
wijpiercen
julliepiercen
zijpiercen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepiercd
jijhebt gepiercd
hijheeft gepiercd
wijhebben gepiercd
julliehebben gepiercd
zijhebben gepiercd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpiercde
jijpiercde
hijpiercde
wijpiercden
julliepiercden
zijpiercden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepiercd
jijhad gepiercd
hijhad gepiercd
wijhadden gepiercd
julliehadden gepiercd
zijhadden gepiercd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal piercen
jijzult piercen
hijzal piercen
wijzullen piercen
julliezullen piercen
zijzullen piercen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepiercd hebben
jijzult gepiercd hebben
hijzal gepiercd hebben
wijzullen gepiercd hebben
julliezullen gepiercd hebben
zijzullen gepiercd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou piercen
jijzou piercen
hijzou piercen
wijzouden piercen
julliezouden piercen
zijzouden piercen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepiercd hebben
jijzou gepiercd hebben
hijzou gepiercd hebben
wijzouden gepiercd hebben
julliezouden gepiercd hebben
zijzouden gepiercd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpierc

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from English pierce. See: English 'pierce'.

Additional Information