peuren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of peuren

The word "peuren" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: peuren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: peurend
Past participle - Verleden deelwoord: gepeurd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpeur
jijpeurt
hijpeurt
wijpeuren
julliepeuren
zijpeuren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepeurd
jijhebt gepeurd
hijheeft gepeurd
wijhebben gepeurd
julliehebben gepeurd
zijhebben gepeurd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpeurde
jijpeurde
hijpeurde
wijpeurden
julliepeurden
zijpeurden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepeurd
jijhad gepeurd
hijhad gepeurd
wijhadden gepeurd
julliehadden gepeurd
zijhadden gepeurd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal peuren
jijzult peuren
hijzal peuren
wijzullen peuren
julliezullen peuren
zijzullen peuren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepeurd hebben
jijzult gepeurd hebben
hijzal gepeurd hebben
wijzullen gepeurd hebben
julliezullen gepeurd hebben
zijzullen gepeurd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou peuren
jijzou peuren
hijzou peuren
wijzouden peuren
julliezouden peuren
zijzouden peuren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepeurd hebben
jijzou gepeurd hebben
hijzou gepeurd hebben
wijzouden gepeurd hebben
julliezouden gepeurd hebben
zijzouden gepeurd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpeur

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information