peen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of peen

The word "peen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: peen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: peend
Past participle - Verleden deelwoord: geped

Cognates

See the 2 cognates of peen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpe
jijpet
hijpet
wijpeen
julliepeen
zijpeen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geped
jijhebt geped
hijheeft geped
wijhebben geped
julliehebben geped
zijhebben geped

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpede
jijpede
hijpede
wijpeden
julliepeden
zijpeden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geped
jijhad geped
hijhad geped
wijhadden geped
julliehadden geped
zijhadden geped

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal peen
jijzult peen
hijzal peen
wijzullen peen
julliezullen peen
zijzullen peen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geped hebben
jijzult geped hebben
hijzal geped hebben
wijzullen geped hebben
julliezullen geped hebben
zijzullen geped hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou peen
jijzou peen
hijzou peen
wijzouden peen
julliezouden peen
zijzouden peen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geped hebben
jijzou geped hebben
hijzou geped hebben
wijzouden geped hebben
julliezouden geped hebben
zijzouden geped hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpe

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "peen"

English pith.

Additional Information