paragraferen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of paragraferen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: paragraferen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: paragraferend
Past participle - Verleden deelwoord: geparagrafeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikparagrafeer
jijparagrafeert
hijparagrafeert
wijparagraferen
jullieparagraferen
zijparagraferen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geparagrafeerd
jijhebt geparagrafeerd
hijheeft geparagrafeerd
wijhebben geparagrafeerd
julliehebben geparagrafeerd
zijhebben geparagrafeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikparagrafeerde
jijparagrafeerde
hijparagrafeerde
wijparagrafeerden
jullieparagrafeerden
zijparagrafeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geparagrafeerd
jijhad geparagrafeerd
hijhad geparagrafeerd
wijhadden geparagrafeerd
julliehadden geparagrafeerd
zijhadden geparagrafeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal paragraferen
jijzult paragraferen
hijzal paragraferen
wijzullen paragraferen
julliezullen paragraferen
zijzullen paragraferen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geparagrafeerd hebben
jijzult geparagrafeerd hebben
hijzal geparagrafeerd hebben
wijzullen geparagrafeerd hebben
julliezullen geparagrafeerd hebben
zijzullen geparagrafeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou paragraferen
jijzou paragraferen
hijzou paragraferen
wijzouden paragraferen
julliezouden paragraferen
zijzouden paragraferen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geparagrafeerd hebben
jijzou geparagrafeerd hebben
hijzou geparagrafeerd hebben
wijzouden geparagrafeerd hebben
julliezouden geparagrafeerd hebben
zijzouden geparagrafeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijparagrafeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information