overstijgen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of overstijgen

The word "overstijgen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: overstijgen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: overstijgend
Past participle - Verleden deelwoord: overgestijgd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstijg over
jijstijgt over
hijstijgt over
wijstijgen over
julliestijgen over
zijstijgen over

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb overgestijgd
jijhebt overgestijgd
hijheeft overgestijgd
wijhebben overgestijgd
julliehebben overgestijgd
zijhebben overgestijgd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstijgde over
jijstijgde over
hijstijgde over
wijstijgden over
julliestijgden over
zijstijgden over

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad overgestijgd
jijhad overgestijgd
hijhad overgestijgd
wijhadden overgestijgd
julliehadden overgestijgd
zijhadden overgestijgd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal overstijgen
jijzult overstijgen
hijzal overstijgen
wijzullen overstijgen
julliezullen overstijgen
zijzullen overstijgen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal overgestijgd hebben
jijzult overgestijgd hebben
hijzal overgestijgd hebben
wijzullen overgestijgd hebben
julliezullen overgestijgd hebben
zijzullen overgestijgd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou overstijgen
jijzou overstijgen
hijzou overstijgen
wijzouden overstijgen
julliezouden overstijgen
zijzouden overstijgen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou overgestijgd hebben
jijzou overgestijgd hebben
hijzou overgestijgd hebben
wijzouden overgestijgd hebben
julliezouden overgestijgd hebben
zijzouden overgestijgd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstijg over

Translations

  • exceed, to be larger, greater than something else or than expected or desirable
  • exceed, to be better than something else or than expected or desirable
  • exceed, to go beyond the limits of something
  • surpass, to exceed
  • transcend, to pass beyond the limits of something
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From over- + stijgen. Compare German übersteigen, Old English oferstīgan, Gothic 𐌿𐍆𐌰𐍂𐍃𐍄𐌴𐌹𐌲𐌰𐌽 (ufarsteigan). See: German, old spelling 'übersteigen'.

    Verbs referencing "overstijgen"

    German, old spelling übersteigen.

    Additional Information