opvrolijken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of opvrolijken

The word "opvrolijken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: opvrolijken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: opvrolijkend
Past participle - Verleden deelwoord: opgevrolijkt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvrolijk op
jijvrolijkt op
hijvrolijkt op
wijvrolijken op
jullievrolijken op
zijvrolijken op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opgevrolijkt
jijhebt opgevrolijkt
hijheeft opgevrolijkt
wijhebben opgevrolijkt
julliehebben opgevrolijkt
zijhebben opgevrolijkt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvrolijkte op
jijvrolijkte op
hijvrolijkte op
wijvrolijkten op
jullievrolijkten op
zijvrolijkten op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opgevrolijkt
jijhad opgevrolijkt
hijhad opgevrolijkt
wijhadden opgevrolijkt
julliehadden opgevrolijkt
zijhadden opgevrolijkt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal opvrolijken
jijzult opvrolijken
hijzal opvrolijken
wijzullen opvrolijken
julliezullen opvrolijken
zijzullen opvrolijken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opgevrolijkt hebben
jijzult opgevrolijkt hebben
hijzal opgevrolijkt hebben
wijzullen opgevrolijkt hebben
julliezullen opgevrolijkt hebben
zijzullen opgevrolijkt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou opvrolijken
jijzou opvrolijken
hijzou opvrolijken
wijzouden opvrolijken
julliezouden opvrolijken
zijzouden opvrolijken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opgevrolijkt hebben
jijzou opgevrolijkt hebben
hijzou opgevrolijkt hebben
wijzouden opgevrolijkt hebben
julliezouden opgevrolijkt hebben
zijzouden opgevrolijkt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvrolijk op

Verbs similar to 'opvrolijken'

Translations

  • exhilarate, to cheer
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From vrolijk (“cheerful”) + op- -en.

    Additional Information