optutten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of optutten

The word "optutten" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: optutten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: optuttend
Past participle - Verleden deelwoord: opgetut

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktut op
jijtut op
hijtut op
wijtutten op
jullietutten op
zijtutten op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opgetut
jijhebt opgetut
hijheeft opgetut
wijhebben opgetut
julliehebben opgetut
zijhebben opgetut

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktutte op
jijtutte op
hijtutte op
wijtutten op
jullietutten op
zijtutten op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opgetut
jijhad opgetut
hijhad opgetut
wijhadden opgetut
julliehadden opgetut
zijhadden opgetut

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal optutten
jijzult optutten
hijzal optutten
wijzullen optutten
julliezullen optutten
zijzullen optutten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opgetut hebben
jijzult opgetut hebben
hijzal opgetut hebben
wijzullen opgetut hebben
julliezullen opgetut hebben
zijzullen opgetut hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou optutten
jijzou optutten
hijzou optutten
wijzouden optutten
julliezouden optutten
zijzouden optutten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opgetut hebben
jijzou opgetut hebben
hijzou opgetut hebben
wijzouden opgetut hebben
julliezouden opgetut hebben
zijzouden opgetut hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtut op

Verbs similar to 'optutten'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information