opsparen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of opsparen

The word "opsparen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: opsparen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: opsparend
Past participle - Verleden deelwoord: opgespaard

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikspaar op
jijspaart op
hijspaart op
wijsparen op
julliesparen op
zijsparen op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opgespaard
jijhebt opgespaard
hijheeft opgespaard
wijhebben opgespaard
julliehebben opgespaard
zijhebben opgespaard

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikspaarde op
jijspaarde op
hijspaarde op
wijspaarden op
julliespaarden op
zijspaarden op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opgespaard
jijhad opgespaard
hijhad opgespaard
wijhadden opgespaard
julliehadden opgespaard
zijhadden opgespaard

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal opsparen
jijzult opsparen
hijzal opsparen
wijzullen opsparen
julliezullen opsparen
zijzullen opsparen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opgespaard hebben
jijzult opgespaard hebben
hijzal opgespaard hebben
wijzullen opgespaard hebben
julliezullen opgespaard hebben
zijzullen opgespaard hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou opsparen
jijzou opsparen
hijzou opsparen
wijzouden opsparen
julliezouden opsparen
zijzouden opsparen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opgespaard hebben
jijzou opgespaard hebben
hijzou opgespaard hebben
wijzouden opgespaard hebben
julliezouden opgespaard hebben
zijzouden opgespaard hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijspaar op

Verbs similar to 'opsparen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information