oplezen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of oplezen

The word "oplezen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: oplezen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: oplezend
Past participle - Verleden deelwoord: opgeleesd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iklees op
jijleest op
hijleest op
wijlezen op
jullielezen op
zijlezen op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opgeleesd
jijhebt opgeleesd
hijheeft opgeleesd
wijhebben opgeleesd
julliehebben opgeleesd
zijhebben opgeleesd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikleesde op
jijleesde op
hijleesde op
wijleesden op
jullieleesden op
zijleesden op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opgeleesd
jijhad opgeleesd
hijhad opgeleesd
wijhadden opgeleesd
julliehadden opgeleesd
zijhadden opgeleesd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal oplezen
jijzult oplezen
hijzal oplezen
wijzullen oplezen
julliezullen oplezen
zijzullen oplezen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opgeleesd hebben
jijzult opgeleesd hebben
hijzal opgeleesd hebben
wijzullen opgeleesd hebben
julliezullen opgeleesd hebben
zijzullen opgeleesd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou oplezen
jijzou oplezen
hijzou oplezen
wijzouden oplezen
julliezouden oplezen
zijzouden oplezen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opgeleesd hebben
jijzou opgeleesd hebben
hijzou opgeleesd hebben
wijzouden opgeleesd hebben
julliezouden opgeleesd hebben
zijzouden opgeleesd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijlees op

Verbs conjugated like 'oplezen'

blozen, grazen, liefkozen, verbazen, vrezen,

Verbs similar to 'oplezen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information