opbloeien – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of opbloeien

The word "opbloeien" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: opbloeien
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: opbloeiend
Past participle - Verleden deelwoord: opgebloeid

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbloei op
jijbloeit op
hijbloeit op
wijbloeien op
julliebloeien op
zijbloeien op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opgebloeid
jijhebt opgebloeid
hijheeft opgebloeid
wijhebben opgebloeid
julliehebben opgebloeid
zijhebben opgebloeid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbloeide op
jijbloeide op
hijbloeide op
wijbloeiden op
julliebloeiden op
zijbloeiden op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opgebloeid
jijhad opgebloeid
hijhad opgebloeid
wijhadden opgebloeid
julliehadden opgebloeid
zijhadden opgebloeid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal opbloeien
jijzult opbloeien
hijzal opbloeien
wijzullen opbloeien
julliezullen opbloeien
zijzullen opbloeien

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opgebloeid hebben
jijzult opgebloeid hebben
hijzal opgebloeid hebben
wijzullen opgebloeid hebben
julliezullen opgebloeid hebben
zijzullen opgebloeid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou opbloeien
jijzou opbloeien
hijzou opbloeien
wijzouden opbloeien
julliezouden opbloeien
zijzouden opbloeien

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opgebloeid hebben
jijzou opgebloeid hebben
hijzou opgebloeid hebben
wijzouden opgebloeid hebben
julliezouden opgebloeid hebben
zijzouden opgebloeid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbloei op

Translations

  • burgeon, to grow or expand
  • flourish, to prosper or fare well
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From op + bloeien.

    Additional Information