Infinitive - Onbepaalde wijs: onthalen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: onthalend
Past participle - Verleden deelwoord: onthaald
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | onthaal |
| jij | onthaalt |
| hij | onthaalt |
| wij | onthalen |
| jullie | onthalen |
| zij | onthalen |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb onthaald |
| jij | hebt onthaald |
| hij | heeft onthaald |
| wij | hebben onthaald |
| jullie | hebben onthaald |
| zij | hebben onthaald |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | onthaalde |
| jij | onthaalde |
| hij | onthaalde |
| wij | onthaalden |
| jullie | onthaalden |
| zij | onthaalden |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had onthaald |
| jij | had onthaald |
| hij | had onthaald |
| wij | hadden onthaald |
| jullie | hadden onthaald |
| zij | hadden onthaald |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal onthalen |
| jij | zult onthalen |
| hij | zal onthalen |
| wij | zullen onthalen |
| jullie | zullen onthalen |
| zij | zullen onthalen |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal onthaald hebben |
| jij | zult onthaald hebben |
| hij | zal onthaald hebben |
| wij | zullen onthaald hebben |
| jullie | zullen onthaald hebben |
| zij | zullen onthaald hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou onthalen |
| jij | zou onthalen |
| hij | zou onthalen |
| wij | zouden onthalen |
| jullie | zouden onthalen |
| zij | zouden onthalen |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou onthaald hebben |
| jij | zou onthaald hebben |
| hij | zou onthaald hebben |
| wij | zouden onthaald hebben |
| jullie | zouden onthaald hebben |
| zij | zouden onthaald hebben |
| jij | onthaal |