omdoen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of omdoen

The word "omdoen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: omdoen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: omdoend
Past participle - Verleden deelwoord: omgedod

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdo om
jijdot om
hijdot om
wijdoen om
julliedoen om
zijdoen om

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb omgedod
jijhebt omgedod
hijheeft omgedod
wijhebben omgedod
julliehebben omgedod
zijhebben omgedod

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdode om
jijdode om
hijdode om
wijdoden om
julliedoden om
zijdoden om

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad omgedod
jijhad omgedod
hijhad omgedod
wijhadden omgedod
julliehadden omgedod
zijhadden omgedod

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal omdoen
jijzult omdoen
hijzal omdoen
wijzullen omdoen
julliezullen omdoen
zijzullen omdoen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal omgedod hebben
jijzult omgedod hebben
hijzal omgedod hebben
wijzullen omgedod hebben
julliezullen omgedod hebben
zijzullen omgedod hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou omdoen
jijzou omdoen
hijzou omdoen
wijzouden omdoen
julliezouden omdoen
zijzouden omdoen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou omgedod hebben
jijzou omgedod hebben
hijzou omgedod hebben
wijzouden omgedod hebben
julliezouden omgedod hebben
zijzouden omgedod hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdo om

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • Hij deed een das om voordat hij de deur uitging. (He put on a tie before heading out the door.)
  • Ik wilde net mijn rugzak omdoen. (I was just about to put on my backpack.)

Etymology

From om + doen.

Additional Information