neerzien – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of neerzien

The word "neerzien" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: neerzien
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: neerziend
Past participle - Verleden deelwoord: neergezid

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzi neer
jijzit neer
hijzit neer
wijzien neer
julliezien neer
zijzien neer

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb neergezid
jijhebt neergezid
hijheeft neergezid
wijhebben neergezid
julliehebben neergezid
zijhebben neergezid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzide neer
jijzide neer
hijzide neer
wijziden neer
jullieziden neer
zijziden neer

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad neergezid
jijhad neergezid
hijhad neergezid
wijhadden neergezid
julliehadden neergezid
zijhadden neergezid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal neerzien
jijzult neerzien
hijzal neerzien
wijzullen neerzien
julliezullen neerzien
zijzullen neerzien

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal neergezid hebben
jijzult neergezid hebben
hijzal neergezid hebben
wijzullen neergezid hebben
julliezullen neergezid hebben
zijzullen neergezid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou neerzien
jijzou neerzien
hijzou neerzien
wijzouden neerzien
julliezouden neerzien
zijzouden neerzien

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou neergezid hebben
jijzou neergezid hebben
hijzou neergezid hebben
wijzouden neergezid hebben
julliezouden neergezid hebben
zijzouden neergezid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzi neer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From neer + zien.

Additional Information