koperen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of koperen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: koperen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: koperend
Past participle - Verleden deelwoord: gekoperd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkoper
jijkopert
hijkopert
wijkoperen
julliekoperen
zijkoperen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekoperd
jijhebt gekoperd
hijheeft gekoperd
wijhebben gekoperd
julliehebben gekoperd
zijhebben gekoperd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkoperde
jijkoperde
hijkoperde
wijkoperden
julliekoperden
zijkoperden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekoperd
jijhad gekoperd
hijhad gekoperd
wijhadden gekoperd
julliehadden gekoperd
zijhadden gekoperd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal koperen
jijzult koperen
hijzal koperen
wijzullen koperen
julliezullen koperen
zijzullen koperen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekoperd hebben
jijzult gekoperd hebben
hijzal gekoperd hebben
wijzullen gekoperd hebben
julliezullen gekoperd hebben
zijzullen gekoperd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou koperen
jijzou koperen
hijzou koperen
wijzouden koperen
julliezouden koperen
zijzouden koperen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekoperd hebben
jijzou gekoperd hebben
hijzou gekoperd hebben
wijzouden gekoperd hebben
julliezouden gekoperd hebben
zijzouden gekoperd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkoper

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From koper 'copper' (from Ancient Greek) + verbal ending -en.

Additional Information