kicken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kicken

The word "kicken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kicken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kickend
Past participle - Verleden deelwoord: gekickt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkick
jijkickt
hijkickt
wijkicken
julliekicken
zijkicken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekickt
jijhebt gekickt
hijheeft gekickt
wijhebben gekickt
julliehebben gekickt
zijhebben gekickt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkickte
jijkickte
hijkickte
wijkickten
julliekickten
zijkickten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekickt
jijhad gekickt
hijhad gekickt
wijhadden gekickt
julliehadden gekickt
zijhadden gekickt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kicken
jijzult kicken
hijzal kicken
wijzullen kicken
julliezullen kicken
zijzullen kicken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekickt hebben
jijzult gekickt hebben
hijzal gekickt hebben
wijzullen gekickt hebben
julliezullen gekickt hebben
zijzullen gekickt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kicken
jijzou kicken
hijzou kicken
wijzouden kicken
julliezouden kicken
zijzouden kicken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekickt hebben
jijzou gekickt hebben
hijzou gekickt hebben
wijzouden gekickt hebben
julliezouden gekickt hebben
zijzouden gekickt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkick

Verbs similar to 'kicken'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From kick + -en, from English kick. See: English 'kick'.

Additional Information