kapoen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kapoen

The word "kapoen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kapoen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kapoend
Past participle - Verleden deelwoord: gekapod

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkapo
jijkapot
hijkapot
wijkapoen
julliekapoen
zijkapoen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekapod
jijhebt gekapod
hijheeft gekapod
wijhebben gekapod
julliehebben gekapod
zijhebben gekapod

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkapode
jijkapode
hijkapode
wijkapoden
julliekapoden
zijkapoden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekapod
jijhad gekapod
hijhad gekapod
wijhadden gekapod
julliehadden gekapod
zijhadden gekapod

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kapoen
jijzult kapoen
hijzal kapoen
wijzullen kapoen
julliezullen kapoen
zijzullen kapoen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekapod hebben
jijzult gekapod hebben
hijzal gekapod hebben
wijzullen gekapod hebben
julliezullen gekapod hebben
zijzullen gekapod hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kapoen
jijzou kapoen
hijzou kapoen
wijzouden kapoen
julliezouden kapoen
zijzouden kapoen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekapod hebben
jijzou gekapod hebben
hijzou gekapod hebben
wijzouden gekapod hebben
julliezouden gekapod hebben
zijzouden gekapod hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkapo

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "kapoen"

French caponner.

Additional Information