inperken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of inperken

The word "inperken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: inperken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: inperkend
Past participle - Verleden deelwoord: ingeperkt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikperk in
jijperkt in
hijperkt in
wijperken in
jullieperken in
zijperken in

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb ingeperkt
jijhebt ingeperkt
hijheeft ingeperkt
wijhebben ingeperkt
julliehebben ingeperkt
zijhebben ingeperkt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikperkte in
jijperkte in
hijperkte in
wijperkten in
jullieperkten in
zijperkten in

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad ingeperkt
jijhad ingeperkt
hijhad ingeperkt
wijhadden ingeperkt
julliehadden ingeperkt
zijhadden ingeperkt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal inperken
jijzult inperken
hijzal inperken
wijzullen inperken
julliezullen inperken
zijzullen inperken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal ingeperkt hebben
jijzult ingeperkt hebben
hijzal ingeperkt hebben
wijzullen ingeperkt hebben
julliezullen ingeperkt hebben
zijzullen ingeperkt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou inperken
jijzou inperken
hijzou inperken
wijzouden inperken
julliezouden inperken
zijzouden inperken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou ingeperkt hebben
jijzou ingeperkt hebben
hijzou ingeperkt hebben
wijzouden ingeperkt hebben
julliezouden ingeperkt hebben
zijzouden ingeperkt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijperk in

Verbs similar to 'inperken'

Translations

  • buffer, to isolate, to minimise the impacts of one thing on another
  • confine, to restrict; to keep within bounds
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information