gniffelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of gniffelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: gniffelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: gniffelend
Past participle - Verleden deelwoord: gegniffeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgniffel
jijgniffelt
hijgniffelt
wijgniffelen
julliegniffelen
zijgniffelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gegniffeld
jijhebt gegniffeld
hijheeft gegniffeld
wijhebben gegniffeld
julliehebben gegniffeld
zijhebben gegniffeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgniffelde
jijgniffelde
hijgniffelde
wijgniffelden
julliegniffelden
zijgniffelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gegniffeld
jijhad gegniffeld
hijhad gegniffeld
wijhadden gegniffeld
julliehadden gegniffeld
zijhadden gegniffeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal gniffelen
jijzult gniffelen
hijzal gniffelen
wijzullen gniffelen
julliezullen gniffelen
zijzullen gniffelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gegniffeld hebben
jijzult gegniffeld hebben
hijzal gegniffeld hebben
wijzullen gegniffeld hebben
julliezullen gegniffeld hebben
zijzullen gegniffeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou gniffelen
jijzou gniffelen
hijzou gniffelen
wijzouden gniffelen
julliezouden gniffelen
zijzouden gniffelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gegniffeld hebben
jijzou gegniffeld hebben
hijzou gegniffeld hebben
wijzouden gegniffeld hebben
julliezouden gegniffeld hebben
zijzouden gegniffeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgniffel

Translations

  • snigger, to emit a snigger
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Probably borrowed from a Low German dialect.

    Additional Information