gloren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of gloren

The word "gloren" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: gloren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: glorend
Past participle - Verleden deelwoord: gegloord

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgloor
jijgloort
hijgloort
wijgloren
julliegloren
zijgloren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gegloord
jijhebt gegloord
hijheeft gegloord
wijhebben gegloord
julliehebben gegloord
zijhebben gegloord

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgloorde
jijgloorde
hijgloorde
wijgloorden
julliegloorden
zijgloorden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gegloord
jijhad gegloord
hijhad gegloord
wijhadden gegloord
julliehadden gegloord
zijhadden gegloord

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal gloren
jijzult gloren
hijzal gloren
wijzullen gloren
julliezullen gloren
zijzullen gloren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gegloord hebben
jijzult gegloord hebben
hijzal gegloord hebben
wijzullen gegloord hebben
julliezullen gegloord hebben
zijzullen gegloord hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou gloren
jijzou gloren
hijzou gloren
wijzouden gloren
julliezouden gloren
zijzouden gloren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gegloord hebben
jijzou gegloord hebben
hijzou gegloord hebben
wijzouden gegloord hebben
julliezouden gegloord hebben
zijzouden gegloord hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgloor

Verbs similar to 'gloren'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "gloren"

English glower, English glore.

Additional Information