gispen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of gispen

The word "gispen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: gispen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: gispend
Past participle - Verleden deelwoord: gegispt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgisp
jijgispt
hijgispt
wijgispen
julliegispen
zijgispen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gegispt
jijhebt gegispt
hijheeft gegispt
wijhebben gegispt
julliehebben gegispt
zijhebben gegispt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgispte
jijgispte
hijgispte
wijgispten
julliegispten
zijgispten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gegispt
jijhad gegispt
hijhad gegispt
wijhadden gegispt
julliehadden gegispt
zijhadden gegispt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal gispen
jijzult gispen
hijzal gispen
wijzullen gispen
julliezullen gispen
zijzullen gispen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gegispt hebben
jijzult gegispt hebben
hijzal gegispt hebben
wijzullen gegispt hebben
julliezullen gegispt hebben
zijzullen gegispt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou gispen
jijzou gispen
hijzou gispen
wijzouden gispen
julliezouden gispen
zijzouden gispen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gegispt hebben
jijzou gegispt hebben
hijzou gegispt hebben
wijzouden gegispt hebben
julliezouden gegispt hebben
zijzouden gegispt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgisp

Verbs similar to 'gispen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information