farmen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of farmen

The word "farmen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: farmen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: farmend
Past participle - Verleden deelwoord: gefarmd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfarm
jijfarmt
hijfarmt
wijfarmen
julliefarmen
zijfarmen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefarmd
jijhebt gefarmd
hijheeft gefarmd
wijhebben gefarmd
julliehebben gefarmd
zijhebben gefarmd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfarmde
jijfarmde
hijfarmde
wijfarmden
julliefarmden
zijfarmden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefarmd
jijhad gefarmd
hijhad gefarmd
wijhadden gefarmd
julliehadden gefarmd
zijhadden gefarmd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal farmen
jijzult farmen
hijzal farmen
wijzullen farmen
julliezullen farmen
zijzullen farmen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefarmd hebben
jijzult gefarmd hebben
hijzal gefarmd hebben
wijzullen gefarmd hebben
julliezullen gefarmd hebben
zijzullen gefarmd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou farmen
jijzou farmen
hijzou farmen
wijzouden farmen
julliezouden farmen
zijzouden farmen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefarmd hebben
jijzou gefarmd hebben
hijzou gefarmd hebben
wijzouden gefarmd hebben
julliezouden gefarmd hebben
zijzouden gefarmd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfarm

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • Ga je mee voetballen? — Nee, moet meer goud farmen! (Are you coming to play football with us? — No, I need to farm more gold!)

Etymology

Borrowed from English farm. See: English 'farm'.

Additional Information