decaperen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of decaperen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: decaperen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: decaperend
Past participle - Verleden deelwoord: gedecapeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdecapeer
jijdecapeert
hijdecapeert
wijdecaperen
julliedecaperen
zijdecaperen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedecapeerd
jijhebt gedecapeerd
hijheeft gedecapeerd
wijhebben gedecapeerd
julliehebben gedecapeerd
zijhebben gedecapeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdecapeerde
jijdecapeerde
hijdecapeerde
wijdecapeerden
julliedecapeerden
zijdecapeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedecapeerd
jijhad gedecapeerd
hijhad gedecapeerd
wijhadden gedecapeerd
julliehadden gedecapeerd
zijhadden gedecapeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal decaperen
jijzult decaperen
hijzal decaperen
wijzullen decaperen
julliezullen decaperen
zijzullen decaperen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedecapeerd hebben
jijzult gedecapeerd hebben
hijzal gedecapeerd hebben
wijzullen gedecapeerd hebben
julliezullen gedecapeerd hebben
zijzullen gedecapeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou decaperen
jijzou decaperen
hijzou decaperen
wijzouden decaperen
julliezouden decaperen
zijzouden decaperen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedecapeerd hebben
jijzou gedecapeerd hebben
hijzou gedecapeerd hebben
wijzouden gedecapeerd hebben
julliezouden gedecapeerd hebben
zijzouden gedecapeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdecapeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information