connecteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of connecteren

The word "connecteren" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: connecteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: connecterend
Past participle - Verleden deelwoord: geconnecteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikconnecteer
jijconnecteert
hijconnecteert
wijconnecteren
jullieconnecteren
zijconnecteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geconnecteerd
jijhebt geconnecteerd
hijheeft geconnecteerd
wijhebben geconnecteerd
julliehebben geconnecteerd
zijhebben geconnecteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikconnecteerde
jijconnecteerde
hijconnecteerde
wijconnecteerden
jullieconnecteerden
zijconnecteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geconnecteerd
jijhad geconnecteerd
hijhad geconnecteerd
wijhadden geconnecteerd
julliehadden geconnecteerd
zijhadden geconnecteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal connecteren
jijzult connecteren
hijzal connecteren
wijzullen connecteren
julliezullen connecteren
zijzullen connecteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geconnecteerd hebben
jijzult geconnecteerd hebben
hijzal geconnecteerd hebben
wijzullen geconnecteerd hebben
julliezullen geconnecteerd hebben
zijzullen geconnecteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou connecteren
jijzou connecteren
hijzou connecteren
wijzouden connecteren
julliezouden connecteren
zijzouden connecteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geconnecteerd hebben
jijzou geconnecteerd hebben
hijzou geconnecteerd hebben
wijzouden geconnecteerd hebben
julliezouden geconnecteerd hebben
zijzouden geconnecteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijconnecteer

Verbs similar to 'connecteren'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From French connecter or directly from Latin cō(n)nectere. Doublet of connecten. See: French 'connecter', Latin 'cōnectō'.

Additional Information