claimen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of claimen

The word "claimen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: claimen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: claimend
Past participle - Verleden deelwoord: geclaimd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikclaim
jijclaimt
hijclaimt
wijclaimen
jullieclaimen
zijclaimen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geclaimd
jijhebt geclaimd
hijheeft geclaimd
wijhebben geclaimd
julliehebben geclaimd
zijhebben geclaimd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikclaimde
jijclaimde
hijclaimde
wijclaimden
jullieclaimden
zijclaimden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geclaimd
jijhad geclaimd
hijhad geclaimd
wijhadden geclaimd
julliehadden geclaimd
zijhadden geclaimd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal claimen
jijzult claimen
hijzal claimen
wijzullen claimen
julliezullen claimen
zijzullen claimen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geclaimd hebben
jijzult geclaimd hebben
hijzal geclaimd hebben
wijzullen geclaimd hebben
julliezullen geclaimd hebben
zijzullen geclaimd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou claimen
jijzou claimen
hijzou claimen
wijzouden claimen
julliezouden claimen
zijzouden claimen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geclaimd hebben
jijzou geclaimd hebben
hijzou geclaimd hebben
wijzouden geclaimd hebben
julliezouden geclaimd hebben
zijzouden geclaimd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijclaim

Translations

  • claim, to demand ownership of something
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from English claim. See: English 'claim'.

    Additional Information