cajoleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of cajoleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: cajoleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: cajolerend
Past participle - Verleden deelwoord: gecajoleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcajoleer
jijcajoleert
hijcajoleert
wijcajoleren
julliecajoleren
zijcajoleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecajoleerd
jijhebt gecajoleerd
hijheeft gecajoleerd
wijhebben gecajoleerd
julliehebben gecajoleerd
zijhebben gecajoleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcajoleerde
jijcajoleerde
hijcajoleerde
wijcajoleerden
julliecajoleerden
zijcajoleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecajoleerd
jijhad gecajoleerd
hijhad gecajoleerd
wijhadden gecajoleerd
julliehadden gecajoleerd
zijhadden gecajoleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal cajoleren
jijzult cajoleren
hijzal cajoleren
wijzullen cajoleren
julliezullen cajoleren
zijzullen cajoleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecajoleerd hebben
jijzult gecajoleerd hebben
hijzal gecajoleerd hebben
wijzullen gecajoleerd hebben
julliezullen gecajoleerd hebben
zijzullen gecajoleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou cajoleren
jijzou cajoleren
hijzou cajoleren
wijzouden cajoleren
julliezouden cajoleren
zijzouden cajoleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecajoleerd hebben
jijzou gecajoleerd hebben
hijzou gecajoleerd hebben
wijzouden gecajoleerd hebben
julliezouden gecajoleerd hebben
zijzouden gecajoleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcajoleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information