bulken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bulken

The word "bulken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bulken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bulkend
Past participle - Verleden deelwoord: gebulkt

Cognates

See the 2 cognates of bulken

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbulk
jijbulkt
hijbulkt
wijbulken
julliebulken
zijbulken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebulkt
jijhebt gebulkt
hijheeft gebulkt
wijhebben gebulkt
julliehebben gebulkt
zijhebben gebulkt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbulkte
jijbulkte
hijbulkte
wijbulkten
julliebulkten
zijbulkten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebulkt
jijhad gebulkt
hijhad gebulkt
wijhadden gebulkt
julliehadden gebulkt
zijhadden gebulkt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bulken
jijzult bulken
hijzal bulken
wijzullen bulken
julliezullen bulken
zijzullen bulken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebulkt hebben
jijzult gebulkt hebben
hijzal gebulkt hebben
wijzullen gebulkt hebben
julliezullen gebulkt hebben
zijzullen gebulkt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bulken
jijzou bulken
hijzou bulken
wijzouden bulken
julliezouden bulken
zijzouden bulken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebulkt hebben
jijzou gebulkt hebben
hijzou gebulkt hebben
wijzouden gebulkt hebben
julliezouden gebulkt hebben
zijzouden gebulkt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbulk

Verbs similar to 'bulken'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "bulken"

English bowk.

Additional Information