buiten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of buiten

The word "buiten" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: buiten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: buitend
Past participle - Verleden deelwoord: gebuit

Cognates

See the 3 cognates of buiten

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbuit
jijbuit
hijbuit
wijbuiten
julliebuiten
zijbuiten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebuit
jijhebt gebuit
hijheeft gebuit
wijhebben gebuit
julliehebben gebuit
zijhebben gebuit

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbuitte
jijbuitte
hijbuitte
wijbuitten
julliebuitten
zijbuitten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebuit
jijhad gebuit
hijhad gebuit
wijhadden gebuit
julliehadden gebuit
zijhadden gebuit

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal buiten
jijzult buiten
hijzal buiten
wijzullen buiten
julliezullen buiten
zijzullen buiten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebuit hebben
jijzult gebuit hebben
hijzal gebuit hebben
wijzullen gebuit hebben
julliezullen gebuit hebben
zijzullen gebuit hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou buiten
jijzou buiten
hijzou buiten
wijzouden buiten
julliezouden buiten
zijzouden buiten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebuit hebben
jijzou gebuit hebben
hijzou gebuit hebben
wijzouden gebuit hebben
julliezouden gebuit hebben
zijzouden gebuit hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbuit

Verbs similar to 'buiten'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "buiten"

English but.

Additional Information