boelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of boelen

The word "boelen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: boelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: boelend
Past participle - Verleden deelwoord: geboeld

Cognates

See the 2 cognates of boelen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikboel
jijboelt
hijboelt
wijboelen
jullieboelen
zijboelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geboeld
jijhebt geboeld
hijheeft geboeld
wijhebben geboeld
julliehebben geboeld
zijhebben geboeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikboelde
jijboelde
hijboelde
wijboelden
jullieboelden
zijboelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geboeld
jijhad geboeld
hijhad geboeld
wijhadden geboeld
julliehadden geboeld
zijhadden geboeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal boelen
jijzult boelen
hijzal boelen
wijzullen boelen
julliezullen boelen
zijzullen boelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geboeld hebben
jijzult geboeld hebben
hijzal geboeld hebben
wijzullen geboeld hebben
julliezullen geboeld hebben
zijzullen geboeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou boelen
jijzou boelen
hijzou boelen
wijzouden boelen
julliezouden boelen
zijzouden boelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geboeld hebben
jijzou geboeld hebben
hijzou geboeld hebben
wijzouden geboeld hebben
julliezouden geboeld hebben
zijzouden geboeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijboel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • ‘Ow, wat leuk’, zei ze, en toen boog zij zich naar me toe en zei fluisterend: ‘maar pas op, hij boelt; hij heeft het zelf aan een paar leerlingen gezegd.’ (‘Oh, how nice’, she said, and then she leaned over to me and said, whispering, ‘but watch out, he's a homo; he said so himself to a few students’.) [2013 August 1, Rappa, “Boeler”, in Parbode:]
  • 1897 October 12, C., "Tooneel", De Telegraaf, vol. 5, no. 1746, morning edition, page 2.
  • Er is iets tegenstrijdigs in de voorkeur, die dit exquise innerlijke natuurtalent voor het ziellooze, uiterlijke maakwerk van Sardou betoond heeft, maar de schoonste nimfen hebben meer met de leelijkste saters geboeld. (There is something contradictory about the preference this exquisite inner natural talent demonstrated for Sardou's soulless, outward crafting, yet the purest nymphs are known to have fornicated with the ugliest satyrs.)

Etymology

Related to boeleren. Compare German buhlen. See: German, old spelling 'buhlen'.

Verbs referencing "boelen"

Swedish bola, German, old spelling buhlen.

Additional Information